In een bos, hier ver vandaan, woonden verschillende dieren bij elkaar. Ze hielden elkaar in de gaten, letten op en zorgden voor elkaar. Het was daar in het bos een gezellige boel. Vaak waren er feestjes, maar soms waren er ook ruzies. Ruzies werden altijd bijgelegd onder leiding van de wijze uil. De wijze uil zei dan: “Iedereen is nu eenmaal anders en dat is goed!”.

Op een dag bedacht de wijze uil dat het tijd was voor een klasje voor alle jonge dieren in het bos. En zo kwam het dat Juf Struisvogel aan het hoofd van de klas kwam te staan. Zij wilde de jonge dieren leren goeie, volwassen, eerlijke dieren te zijn, die goed met elkaar konden omgaan. Al snel brachten ouders hun kinderen naar het klasje van Juf Struisvogel. Ze waren nieuwsgierig naar elkaar en vonden het best spannend. Sommigen hadden elkaar nog nooit ontmoet en waren verbaasd te zien, dat iedereen er anders uitzag. Daarom moesten ze wel eens lachen. Het hertje had van die rare dingen op zijn hoofd, het leek wel of hij dubbele oren had, ach zo was hij nu eenmaal geboren. De egel zette bij elk geluidje of zuchtje wind zijn stekeltjes op. Hij wist dat zijn gevoelige huidje daar niet tegen kon en zo zichzelf beschermde en dat zag er raar uit. Maar ach, zo was hij nu eenmaal. De bever had grote tanden en wilde op alles bijten wat hij maar zag en dat maakte een raar geluid. Ach zo deden bevers gewoon.

Dus iedereen is nu eenmaal anders en dat is goed!

In de les leerden de dieren over de geheimen van het grote bos. Over de winter en de zomer. Waar ze eten konden vinden en waar ze konden slapen. Maar het allerbelangrijkste wat ze leerden, was over de gewoontes van elkaar. Als ze die niet kenden en begrepen, bleven ze elkaar raar en vreemd vinden.

En iedereen is nu eenmaal anders en dat is goed!

Nu de dieren elkaar hadden leren kennen, werd het naar school gaan nog leuker. De dieren speelden met elkaar. Natuurlijk was er ook wel eens een ruzietje. Juf Struisvogel hielp de ruziemakers dan het weer goed te maken. Toch was er een probleempje in de klas. De dieren vonden de slak wat vreemd. Hij was lief en kon leuke spelletjes bedenken, hield niet van ruzie en hielp andere dieren graag. Wat was er dan vreemd aan hem? Als de slak bewoog, roken de anderen een rare lucht. Voor de slak was die geur niet vreemd en hij wilde gewoon doorgaan met spelen. Maar de andere dieren vonden het vies en zeiden dat soms ook. Tegen elkaar, maar ook tegen de slak. En zo wilden de dieren niet meer met de slak spelen.

De kleine slak kwam alleen te staan in het klasje en werd daar verdrietig van en voelde dat in zijn hartje. Niemand wilde met hem spelen, alleen omdat hij vreemd rook. De slak moest er diep van zuchten, want hij wist dat hij als enige van al zijn klasgenootjes, een zwaar huisje meedroeg. In dat huisje werden de slijmdraadjes, die uit hem kwamen, bewaard. Dat huisje beschermde het slakje en daardoor was hij niet bang. Jammer dat het zo raar rook.

Maar ja, iedereen is nu eenmaal anders en dat is goed!

Toen kwam het moment dat het slakje besloot dat hij het huisje niet meer wilde dragen om zichzelf te beschermen. De andere dieren zouden vast wel met hem willen spelen, bedacht hij, als hij niet meer raar rook. Zijn moeder en Juf Struisvogel vonden het een dapper besluit van de slak. Nu zou de slak misschien slijmdraden gaan verliezen in de klas. En wat zou er dan gebeuren als de klasgenootjes die dan zouden zien en ruiken? Toch wilde het slakje doorzetten. Hij zou hard en vaak gaan oefenen om de slijmdraden buiten de klas neer te leggen. Zo zou niemand meer last hebben van die vieze geur. En zou het slakje geen zorgen meer hebben. In het begin had de slak nog wel een paar ongelukjes in de klas en keken de andere dieren vreemd op als ze slijmdraden in de klas zagen. Maar toen ze merkten dat juf Struisvogel heel rustig bleef en het slakje soms hielp om op te ruimen, vonden ze het niet meer raar. Ze lieten de slak ook weer meespelen.

De slak voelde zich van binnen sterker worden en durfde vaker uit zichzelf naar anderen toe te gaan om te spelen. De ongelukjes werden steeds minder en het slakje merkte dat hij zelf de baas was geworden. Hij kon nu zelf beslissen waar en wanneer hij slijmdraden kon neerleggen. De slak was trots op zichzelf en voelde zich blij van binnen. Uiteindelijk begrepen de dieren, dat je niet kunt kiezen hoe je eruit ziet of hoe je bent. En dat je respect voor elkaar moet hebben en elkaar moet accepteren zoals je bent.

Want iedereen is nu eenmaal anders en dat is goed!

Zelf aan de slag om van je kind een superpoeper te maken en luiers tot het verleden te laten behoren? Volg dan de online oudertraining. Voor je kind krijg je ‘Het SuperPoeperBoek’ erbij.